Het Gentiaanblauwtje (Maculinea alcon) met tegenwoordig de latijnse naam: Phengaris alcon, is een bijzonder blauwtje dat sterk afhankelijk is van zowel planten als mieren.
De mannetjes hebben een helderblauwe bovenzijde, terwijl de vrouwtjes meer grijsbruin zijn met iets blauw aan de basis van de vleugels.
De onderkant van de vleugels is licht grijsbruin met twee rijen zwarte, witomrande stippen, een patroon dat erg karakteristiek is.
Vliegtijd en levenswijze
Het Gentiaanblauwtje vliegt in één generatie per jaar, van ongeveer half juni tot half augustus.
Na het uitkomen eet de jonge rups eerst van de gentiaanbloem.
Al snel verlaten de jonge rupsen de gentiaanbloemknoppen en laten zich op de bodem vallen, in afwachting van knoopmieren.
De rupsen bootsen mierenlarven na en scheiden zoetige stoffen af waardoor ze door mieren (zoals bossteekmieren of moerassteekmieren) worden opgenomen in het mierennest.
Daar overwinteren ze als halfvolgroeide rups en verpoppen ze zich in het nest.
De volwassen vlinder verlaat het nest in de zomer, klimt snel in gras of takken om daar zijn vleugels op te pompen.
Voorkomen
Deze vlinder komt vooral voor in natte heidegebieden, vochtige heischrale graslanden en blauwgraslanden.
De soort vereist open plekken voor de Klokjesgentiaan, maar ook plekken met mieren-nesten van knoopmieren.
Door de afhankelijkheid van zowel de waardplant als de mieren is het leefgebied van het Gentiaanblauwtje erg specialistisch.
Als ik naar mijn eigen ervaring kijk, zou ik zo geen andere soort weten die zo erg hard achteruit gegaan is als het Gentiaanblauwtje.
De soort is op heel veel plekken verdwenen, en waar ik er begin 2000 nog verschillende vlinders slapend kon vinden ben ik nu al blij als ik er nog een handje vol rond zie vliegen.
Ik ben heel benieuwd hoe lang deze prachtige vlinder nog in ons land te vinden zal zijn.
Voedselplanten rups
De rups van het Gentiaanblauwtje gebruikt klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe) als waardplant.
Na het eerste deel van hun ontwikkeling verhuizen de rupsen naar een mierennest waar ze worden verzorgd door de mieren.